web analytics

Anno 1379. De vrede met de twee aangezichten

49
banner

Een heerlijke maaltijd met voldoende drank
Filips de Stoute beslist om het over een andere boeg te gooien. In plaats van al dat wapengekletter moet er gepraat worden. Hij stuurt de bisschop van Sint-Maartens naar de hoofden van de opstandelingen om hen uit te nodigen voor een bezoek in zijn standplaats te Pont-à-Rhône, een plek tussen Oudenaarde en Kortrijk. Of er eens kan gepraat worden over een mogelijk vredesverdrag?

De belegeraars die ook alleen maar menselijke verliezen leden tijdens het vruchteloos beleg gaan in op de uitnodiging. Afgevaardigden van Gent, Brugge, Kortrijk en Ieper begeven zich op 3 december 1379 naar de vermelde plaats om te gaan onderhandelen met de hertog van Bourgondië en zijn schoonvader de graaf van Vlaanderen. De Vlamingen tonen zich aanvankelijk erg terughoudend en argwanend. Maar een charmante Filips de Stoute doet wat hij kan om het zijn gasten naar hun zin te maken. Hij laat hen een heerlijke maaltijd opdissen, eten en voldoende drank blijken als zo vaak handige hulpmiddelen om de sfeer wat amicaler te maken.

Het is uiteindelijk Filips de Stoute zelf die een soort deal uit de brand sleept en die daarmee eigenlijk zijn schoonvader voor een min of meer voldongen feit stelt, voor zover hij tenminste zijn achterban van edelen wil redden. Het akkoord van Pont-à-Rhône ziet er als volgt uit: de graaf veegt de spons over de oproer van de Vlamingen, de Gentenaars zullen zijn kasteel in Wondelgem herstellen en krijgen hun oude voorrechten van in de tijd van Lodewijk van Nevers helemaal terug. De proost van Sint-Donaas (zo te horen een stroman van de leliaards) zal voortaan geen kanselier van Vlaanderen meer kunnen zijn en niet langer deel uitmaken van de geheime raad van de graaf. En er is ook de belofte dat de graaf zijn hof zal houden in Gent en niet langer in Male.

De gevoelens over het akkoord zijn zeer gemengd. De Gentenaars houden op 4 december 1379 het beleg van Oudenaarde met tegenzin voor bekeken. De graaf aanvaardt de deal van zijn schoonzoon omdat hij niet anders kan. Maar hij lacht groen, zijn prestige heeft een geweldige deuk gekregen. Hij schaamt er zich voor om nu blijkbaar zelf de wetten van zijn eigen onderdanen te moeten ondergaan. Hij verhuist naar Brugge om er even te bekomen van de blamage. De vrede van Pont-à-Rhône verzeilt uiteindelijk in de geschiedenisboeken als zijnde ‘de vrede met de twee aangezichten’. Van bij zijn aankomst in Brugge is het al duidelijk merkbaar dat Lodewijk allesbehalve vredesgezind is. Van zodra de gemeentelijke troepen Oudenaarde hebben gelaten voor wat het was, zorgt hij ervoor dat de bezetting ruime nieuwe voorraden krijgt.

Lodewijk is bitter en beschuldigt iedereen in zijn buurt, hij moet en zal de aanstokers van Gent straffen. De Brugse burgerij krijgt ook al een veeg uit de pan omdat ze hem in de steek gelaten heeft toen Jan Hyoens zich voor de stadspoorten was komen aanmelden. Hij aanvaardt wel hun verontschuldigingen, uiteindelijk heeft de graaf nergens zoveel aanhangers als hier. En ondanks de belofte om zich in Gent te vestigen blijft hij tot grote woede van de Gentenaars netjes zitten in Brugge.

Dat kunnen ze inderdaad niet verkroppen in Gent. Ze sturen een delegatie van 24 man naar Deinze om er de graaf te ontmoeten. ‘Waar blijft hij?’, zal wel de teneur van de gesprekken zijn. Lodewijk laat zich overhalen om met de delegatie mee te reizen naar Gent en wordt er onthaald zoals het hoort. Of dat nu met ‘onbeschrijfelijke vreugde’ is zoals de kroniekschrijvers het vermelden laat ik in het midden. Lodewijk van Male laat duidelijk merken dat hij met tegenzin op bezoek komt. Hij reageert minzaam en hautain wanneer de stedelingen hem kostbare geschenken komen aanbieden. In de beslotenheid van zijn hof krijgen de wethouders en de notabelen nadrukkelijk te horen hoeveel smaad en oneer de Gentenaars hem wel hebben aangedaan.

Deze wrokkige graaf laat er geen onduidelijkheid rond bestaan: de Witte Kaproenen moeten verdwijnen en de moord op baljuw Rogier Van Outrive van Gent zal niet onbestraft blijven. De volgende dag zal hij het volk toespreken vanuit de ramen van het raadhuis op de Vrijdagmarkt. Op zijn weg ernaartoe ziet hij niets anders dan Witte Kaproenen. Zijn toespraak begint gematigd maar al gauw begint hij over de afschaffing van het zo kenmerkend wit kledingstuk. De leden van de Kaproenengilde die zich massaal op de markt bevinden ontvangen zijn woorden met honend gemompel. Bij zijn vertrek kijken ze hem met stuurse blikken aan, de Gentenaars gunnen hem niet de minste groet.

Het kan maar zo duidelijk zijn dat de Witte Kaproen al even weinig ingenomen zijn met de vrede van 3 december als de graaf zelf. Lodewijk beseft dat hij hier te midden van deze vijandelijke bevolking onmogelijk kan blijven zetelen. Enkele dagen later zal hij hier met stille trom vertrekken. Na een korte rust in Rijsel vertrekt hij dan naar Parijs om overleg te plegen met koning Karel V. Dat kan trouwens pas nadat zijn moeder Margareta het pad heeft vereffend voor een verzoening tussen de twee.

 

· · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · ·

Auteur van 'De Kronieken van de Westhoek'

Related Articles & Comments

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *