web analytics

Crisis in Brugge

48
banner

In Brugge is rond die tijd eveneens een crisis aan de gang. Met dank aan de dictatuur van de proost van Sint-Donaas die nu in Vlaanderen de lakens uitdeelt in naam van Clementia van Bourgondië en haar zoontje Boudewijn. De willekeur van de proost en de heersende wetteloosheid doen een zware oproer uitbreken in de stad. Het lijkt er wel op dat de inwoners er op uit zijn om elkaar uit te moorden. Vaders sparen hun zonen niet en die zonen aarzelen er niet voor om zich te besmeuren met het bloed van hun vaders.

Clementia probeert de gemoederen te kalmeren, iets waar ze maar heel moeizaam in slaagt. Ze heeft er zelfs de hulp van een ‘heilige’ bij nodig. De heilige Donaas, de patroon van de stad en in zijn tijd, lang geleden gekend als een vredesactivist, moet redding brengen tijdens een algemene processie. Clementia laat zijn relieken ronddragen tijdens de ommegang en slaagt er op die manier toch enigszins in om de rust wat te laten terugkeren. Het is in elk geval duidelijk dat dit primitieve Vlaanderen toch wel de harde hand van een graaf op zijn plaats mankeert.

In het oosten is het ook allesbehalve suiker en zeem. De stad Antiochië mag dan wel in westerse handen zijn maar het kasteel in de stad is dat zeker niet. Daar houden de meeste Turkse garnizoenen zich klaar om bij de eerste de beste gelegenheid uit te breken. De westerlingen moeten er absoluut zien binnen te breken. Het nieuws dat er 300.000 Turken op komst zijn onder het bevel van Eurpalan, de sultan van Perzië zorgt voor de nodige hoogdringendheid.

Op 3 juni 1098 maken Robrecht en co zich op om aan hun belegering te beginnen, maar daarvoor zijn ze eigenlijk al te laat. Eurpalan omsingelt de stad en toont zich erg gretig om de ‘christen honden’ hier in Antiochië af te maken. Het lijkt wel een IS-verhaal. Spijtig genoeg lijken die van ons – met inbegrip van de hele reeks geschiedschrijvers van dienst – niet te beseffen dat onze zogezegde christenen qua bloeddorst en imperialisme niet moeten onderdoen voor de ‘ongelovigen’.

Graaf Robrecht had nog voor de komst van het Turkse leger een versterking opgetrokken buiten de stad. Na een gevecht van zonsopgang tot na middernacht vertrouwt hij zijn bastion niet langer en keren zijn mannen terug binnenin de stad en zitten ze nu dus met zijn allen als ratten in de val, zonder enige hoop aan hulp van buitenaf of om aan levensmiddelen te geraken. De hongersnood laat niet lang op zich wachten. Tot de kemels en de ezels toe moeten opgegeten worden. Ik laat enkele miraculeuze toestanden i.v.m. de vondst van de fameuze lans die het lichaam van Jezus ooit doorboorde aan me voorbijgaan om me te focussen op de werkelijke toestand.

Het is voor de westerlingen nu wel duidelijk dat ze slag zullen moeten leveren als ze willen overleven. De voorbereiding duurt drie dagen. Een tijd van vasten (vermoedelijk niet zo moeilijk), biechten en ter communie trekken om de zielen te formatteren. Want blank zullen ze zeker niet meer zijn nu. De aanmoedigingen van Ademarus en de andere bisschoppen en priesters in priesterlijk gewaad, zwaaiend met kruisbeelden en psalmen komt over als een spionkop met God als roeper van dienst.

Vijfduizend kemels
De historici likkebaarden bij zoveel actie en dramatiek. Ik citeer hen even; ‘hun aanval was zo hevig dat ze op enkele uren tijd 100.000 ongelovigen in hun bloed deden zwemmen en de overige van dit ontelbaar leger op de vlucht dreven, welke al hun krijgstuigen, schatten en levensmiddelen achterlieten op hun legerplaats. Het aangenaamste van deze grote buit waren de 5.000 kemels geladen met alle slag van levensmiddelen, welke genoegzaam waren om de verhongerde christen te spijzen, van welke er niet meer van 4.000 in deze slag waren gesneuveld. De bevelhebber van het kasteel van Antiochië was door deze onverwachte overwinning zo sterk getroffen dat hij zich niet alleen seffens overgaf, maar ook met verscheidene van zijn soldaten het christengeloof aanvaardde.’

Graaf Robrecht is er zeker van. Niemand minder dan de apostel Andreas heeft deze overwinning gefikst. Hij stuurt onmiddellijk een boodschapper naar zijn echtgenote Clementia in Brugge met het nieuws van de victorie en met de dwingende eis om asap een klooster op te richten ter ere van die goede Andreas, zeg maar Andries. De gravin aarzelt niet en kiest hier de kapel, genaamd de ‘Betferkerk’ uit en ook in ‘Straeten’ bij Brugge laat ze een benedictijnenklooster optrekken, op de plaats waar de abdij van Sint-Andries ooit stond. Het is trouwens van die abdij dat de parochie van Sint-Andries zijn naam ontleend heeft.

De vreugde van de christenen na de overwinning is haast niet te beschrijven. De lol zal helaas niet lang duren en slaat om in dood en verderf. Korte tijd later sterft het grootste deel van hun leger door de pest. Zelfs de pauselijke gezant Ademarus sterft aan deze plaag. Na de nederlaag van de Turken nemen de Egyptenaren Antiochië over. Ze zijn zogezegd in verbond gegaan met de christenen. Die van Egypte verjagen de Turken uit al hun steden van Syrië en zelfs uit Jeruzalem, de hoofdstad van het Joodse land zodat de kruisvaarders zonder werk vallen. Met de Egyptenaren krijgen ze wel last.

Vooral omdat hun machtig leger door ziekte gedecimeerd is tot een fractie van voorheen. De tijd breekt aan om Antiochië achter te laten. De Normandische edelman Bohemond blijft achter als gouverneur van de stad. De tocht naar Jeruzalem verloopt vlot. De mannen omhelzen elkaar als ze in de verte eindelijk de muren en de torens van de heilige stad zien. Jeruzalem! Jeruzalem! De ridders springen van hun paarden, de voetknechten doen hun schoenen uit om met de nodige devotie deze gewijde aarde te betreden.

· · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · ·

Auteur van 'De Kronieken van de Westhoek'

Related Articles & Comments

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *