web analytics

Anno 1001. De haastige ziekte

61
banner

Aan het begin van de 11de eeuw geraakt graaf Boudewijn IV, de man met de schone baard stilaan op kruissnelheid met zijn bestuur. De eerste jaren zijn allesbehalve eenvoudig geweest. Naast de problemen met Kortrijk lijkt het er op dat niemand met hem wil meewerken tijdens zijn eerste bestuursjaren. De ene ramp volgt de andere op. Men zou voor minder denken dat de wereld aan het vergaan is. Het eerste jaar blijven de slagregens maar zonder ophouden uit de hemel vallen.

Van sassen, sluizen en waterhuishouding is er in Vlaanderen nog geen sprake en dus leiden die bakken hemelwater naar dermate gruwelijke overstromingen van de rivieren dat alle laaggelegen gronden in reusachtige waterpoelen veranderen. Tijdens de zomer die volgt op deze regenorgie is het dan zo verschrikkelijk heet dat er veel ziekten uitbreken en dat de bewoners te maken krijgen met een extreme schaarsheid van de levensmiddelen.

Het jaar daarop blijft de natuur maar verder dwars liggen. De lente is zo droog dat het land van geen kanten kan bezaaid worden, de herfst toont dan weer net het tegenovergestelde: er valt zo’n overvloed van regen en sneeuw dat niemand de kans krijgt om te ploegen op het land. De braakliggende gronden leiden op hun beurt naar een verschrikkelijke hongersnood waardoor veel mensen gewoonweg sterven van gebrek. In Brugge alleen al sterven 12.000 inwoners aan de pest, de ‘haastige ziekte’ die zowat heel Vlaanderen infecteert. Ondertussen groeit graaf Boudewijn beetje bij beetje uit tot een echte man. Ik gebruik de woorden van de chroniqueurs; groot van gestalte, vroom, dapper en goed geoefend in de krijgskunst. Al die prinselijke hoedanigheden bezorgen hem een natuurlijke autoriteit. Naast al die uiterlijke kenmerken is het best belangrijk dat hij bestuurlijk ook wel goed uit de hoek komt.

In alle steden en dorpen die naam waardig installeert hij wijze en voorzichtige poorters die zullen dienen als rechters. In Brugge benoemt Boudewijn dertien erfachtige schepenen en evenveel raadsheren. Hij kiest ze uit de negen ‘leden’ van de stad. De eerste vijf verkozenen zijn gewone poorters, vier komen uit de grote neringen, de vleeshouwers en de visverkopers krijgen er elk één. De rest komt uit de zogezegd ‘smalle neringen’. Die van de hamer, leder, naald, uit de bakkers en de makelaars. De dertien die als schepen verkozen worden krijgen het recht om in hun groep een burgemeester aan te duiden.

De raadsheren mogen zelf hun ‘burgemeester van de gemeente’ aanduiden. Met dit systeem legt de graaf de blauwdruk vast hoe de magistraten en de wethouders in Vlaanderen voortaan zullen moeten werken. De edelen van het land hebben daarbij niets in de pap te brokken, een wetenschap die pijnlijk moet aanvoelen. Boudewijn moet de democratische veranderingen in de steden absoluut compenseren om geen problemen met de adel te krijgen. In diezelfde periode voert hij het ridderschap in, een titel die erfelijk is. De graaf trouwde in 998 met Ogina, een dochter van de hertog van Luxemburg die naar verluidt toch wel over enkele deugden beschikt: ze is van adel en ze is rijk. Over haar uiterlijk kom ik spijtig genoeg voor mijn lezers niets te horen.

Lotharingen aan het oosten van de Schelde
1005. In Maastricht sterft Otto, de hertog van Neder-Lotharingen. Dichter bij Vlaanderen dan we met zijn allen kunnen vermoeden. Neder-Lotharingen zijn de gebieden oostelijk van de Schelde tot aan de Rijn en strekt zich uit van Friesland in het noorden tot Verdun in het zuiden. Het hertogdom behoort tot het Duitse keizerrijk. Deze overleden hertog Otto deed er dienst als opperleenheer in dienst van keizer Hendrik II net zoals graaf Boudewijn die ondergeschikt is aan de huidige Franse koning Robert II de Vrome. Na de dood van Otto willen zijn erfgenamen het bestuur overnemen.

Tot hun verwondering gaat keizer Hendrik II daar niet op in. Terwijl de graven van Leuven en Namen nu plotseling menen dat ze zelf aanspraak kunnen maken op het land. Het duo neemt de wapens op en krijgt daarbij de steun van graaf Boudewijn IV van Vlaanderen. Die is natuurlijk gretig om mee te doen want wie weet zullen er geen brokken van de tafel vallen en kan hij er van profiteren om zelf extra gebieden aan zijn eigen land toe te voegen. De graaf trekt in 1006 aan het hoofd van zijn leenmannen de Schelde over, plundert Ename en een deel van het toenmalige Brabant. Vandaar stoomt hij door de oostelijke Scheldegebieden en naar het zuiden in de richting van het slot van Valenciennes, een burcht die in handen is van de Duitse keizer. Boudewijn slaagt er in om het bolwerk in te nemen.

Hendrik II is natuurlijk ferm in zijn gat gebeten en vreest dat de inname van Valenciennes zijn Lotharingse zaken in het gedrang zullen brengen. Een terechte vrees. De Duitsers sturen een krijgsmacht ernaartoe om de burcht te ontzetten. Uit politieke overwegingen krijgt Hendrik daarbij de steun van de koning van Frankrijk en de hertog van Normandië. Geen van de drie zal vermoedelijk gelukkig zijn met het imperialisme van Boudewijn. De hulp van de Fransen is hoe dan ook dubieus. Verraad is nooit veraf. De graaf van Vlaanderen slaagt er in om stand te houden waarop de geallieerden zich noodgedwongen moeten terugtrekken.

· · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · ·

Auteur van 'De Kronieken van de Westhoek'

Related Articles & Comments

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *