web analytics

De reusachtige brand van 1280

48
banner

Begin oktober van 1280 ontstaat er binnen Ieper een bloedige oproer van het gemeen volk tegen de edellieden en de rijke burgerij. De oorzaak is niet echt bekend maar moet ongetwijfeld gezocht worden in de erbarmelijke arbeidsvoorwaarden en de behuizing van de arbeiders in de textielnijverheid die deze stad ten top hebben gebracht. Onder de slogan ‘kokerulle’ slaan ze aan het plunderen en doden ze allen wie het beter heeft dan hen.

Het magistraat is niet in staat om de woedende massa tegen te houden en roept de hulp in van Gwijde van Dampierre. Die arriveert hier met een gewapende krijgsmacht en maakt een einde aan de moordpartijen. De oproerkraaiers onderwerpen zich aan hem. De graaf dreigt met zware straffen maar beperkt zich tot een grote geldboete. De kokerulle is enkel de voorbode van meer ellende in Vlaanderen. Een reusachtige brand op 15 augustus 1280 legde in Brugge de halle en de hallentoren in de as. Al de oorkonden en de zo belangrijke vrijheidsrechten en stadscharters verdwenen zomaar in het vuur.

De Bruggelingen zijn er het hart van in. Vooral omdat graaf Gwijde van Dampierre niet meteen geneigd is om hen nieuwe voorrechten te verlenen. De verwoesting van de Brugse oorkonden komt hem dan ook goed uit. Vlaanderen moet geen vier bazen hebben. Die rol is alleen voorbestemd voor de graaf, de rest moet knikken. Zowaar een dictatoriaal trekje. Dampierre wil wel onderhandelen over een nieuwe set vrijheden die beter aansluiten op de macht die hij zichzelf wil krijgen. Brugge krijgt zo prompt een nieuwe wetgeving die volledig haaks staat op zijn oude gebruiken en voorrechten. Zo eist de graaf onder andere toezicht op de stadsfinanciën.

De Brugse wethouders zullen daarbij hun rekeningen moeten voorleggen aan grafelijke commissarissen. 1281. De eerste inspectiebeurt is een feit. De komst van Dampierres commissarissen naar Brugge wordt door de inwoners heel slecht onthaald. De wethouders weigeren om de jaarrekeningen voor te leggen. Alleen de lokale burgers kunnen hen kwijting verlenen en de graaf kan de pot op. Zo komt het er toch op neer. Het is natuurlijk slechter dat ze de gezanten van Dampierre wegjagen en zelfs enkele commissarissen om het leven brengen.

Ze vragen om miserie en die krijgen ze natuurlijk direct. Gwijde van Dampierre komt voor ze het goed en wel beseffen met een troepenmacht in de stad en gaat op zoek naar de opstokers van de voorbije oproer. Vijf onder hen worden buiten de Boeveriepoort onthoofd. Het gaat over Jan Coopman, Boudewijn Priem, Lambrecht Lam en de broers Jan en Lambrecht Dauwik. De sukkelaars krijgen hun laatste rustplaats in de abdij van Sint-Andries waar men in 1847 nog altijd de restanten van hun verweerde graven kan terugvinden.

Brugge krijgt een monsterlijke boete van 104.000 gulden waarvan die laatste 4.000 dienen om de tijdens de oproer veroorzaakte schade te herstellen. Al de Bruggelingen moeten bijdragen. Alleen wie voldoende kan bewijzen niet deelgenomen te hebben aan de oproer komt onderuit aan de boete.

· · · · · · · · · · · · · · · · · · · · ·

Auteur van 'De Kronieken van de Westhoek'

Related Articles & Comments

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *