web analytics

De Fridlinges en de Edlinges

96
banner

Het is zeker mijn bedoeling niet om hier in dit boek de geschiedenis van de Germanen en de Galliërs in detail neer te pennen. Een impressie van de manier waarop ze beiden leefden is hoe dan ook cruciale info om de naamgeving van Frankrijk en Vlaanderen te begrijpen. De Germaanse maatschappij is ingedeeld in vier grote standen. De nobelen, de vrije mensen, de bevrijde lieden en tot slot de lijfeigenen. Van die laatsten kan niet beweerd worden dat ze slaven zijn want ze worden niet in de ijzers vastgehouden. Deze vier categorieën van mensen zullen nog blijven bestaan bij de Fransen, tot in de tijd van de Karolingers en dus zeker tot in het jaar 1000. Maar dan wel onder een andere benaming. De nobelen omschrijft men oorspronkelijk als ‘Edlinges’ of ‘Adalinges’, waar ik onmiddellijk het woord ‘edele’ in ontwaar. Dat woord werd in het Saksisch omschreven als ‘Edhilinges’. De vrije lieden staan dan bekend als ‘Fridlinges’. De lijfeigenen; ‘Lazzes’ en de vrijgelaten mannen; ‘Frilazzes’. Die ‘Lazzes’ gelijkt voor wat mij betreft wel heel goed op het woord ‘slaven’ (‘esclaves’).

De Fridlinges en de Frilazzes dragen duidelijk het woord ‘free’ in zich. Ze kunnen vrij beschikken over hun eigen leven. Iets wat de lijfeigenen niet kunnen zeggen. De maatschappij van de Galliërs kent eveneens vier standen. De ‘druïden’ zijn de topklasse. Ze worden ook wel ‘ministers van de religie’ genoemd. Dan zijn er de ‘heren’ of ridders. Lager op de ladder staan de ‘gewone mensen’ gemeenzaam ‘het volk’ genoemd. Helemaal onderaan zien we ook hier de lijfeigenen of de ‘serfs’. Veel van de gewone mensen worden heel slecht behandeld door de druïdes en de heren en kiezen ervoor om in hun dienst te treden als ondergeschikte. Beter dat dan voortdurend opgevreten te worden door een meester. Bij de Germanen sluiten de priesters zich aan bij de stand van de edelen of soms ook wel bij de vrije mensen.

Maar in geen geval bij de laagste bevolkingsklassen. Dat is vrij gelijkaardig bij de latere Fransen waar de geestelijken en de priesters ook nooit een ondergeschikte rol zullen innemen. Hun lijfeigenen ondergaan in principe geen slechtere behandeling dan de eigen kinderen in huis. Hun meesters slaan hen zelden in de ijzers of tuchtigen ze met stokken. Nu en dan slaan ze een lijfeigene dood, maar dat kan niet echt beschouwd worden als een bestraffing maar eerder als een staat van woede en gramschap. De ‘Frilazzes’ staan amper hoger dan de lijfeigenen, aan hen wordt evenmin aandacht besteed, niet in huis en niet in het openbaar.

· · · · · · · · · · · · · · · ·

Auteur van 'De Kronieken van de Westhoek'

Related Articles & Comments

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *