web analytics

Anno 1364. Een oase van rust en vrede?

53
banner

De Bruggelingen hebben wel hun lesje geleerd met hun houten huizen die het risico op stadsbranden in stand houden. De twee grote vleugels van de halle die tot in 1364 opgetrokken waren in hout worden dat jaar afgebroken en heropgebouwd in steen. De stad doet dat op eigen kosten en wil daarmee de koophandel verder stimuleren. De stad Brugge torent met zijn rijkdommen ver boven de rest van de Vlaamse steden uit.

Ook op gebied van kunst en wetenschappen geven de Bruggelingen de toon aan. Nogal wat schilders en kunstenaars vinden hier hun bestaan. De rijkdom van de burgerij en de toplaag van de bevolking zorgt natuurlijk ook voor de nodige decadentie. Exquise tornooien wisselen af met uitbundige feesten waar de graaf zeker niet afkerig tegenover staat. Niets van al deze wellusten is hem vreemd. Lodewijk woont hier de meeste tijd, aan zijn hof laat hij een ongelooflijke koninklijke weelde heersen. Die haast perverse luxe wordt natuurlijk gefinancierd met belastingen die betaald worden door de hardwerkende ambachtslieden. Ze moeten er dag-in-dag-uit voor zorgen om zelf het hoofd boven water te kunnen houden. Hoe dan ook zorgt de vorstelijke uitstraling van die entourage rond de graaf voor een ongemene luister van de stad Brugge.

Zo te zien baadt Vlaanderen tijdens deze zestiger jaren in een oase van rust en vrede. Maar dat is eigenlijk alleen maar schijn. De strijd tussen de onderlinge gilden om de macht in de steden naar zich toe te trekken sijpelt af en toe nog eens naar de oppervlakte. Ieper krijgt er in 1364 mee te maken. Mistevreden en gegriefde wevers en volders komen er op straat en zetten baljuw Prisenaer en enkele leden van het stadsmagistraat en enige ambtenaren aan de kant. Ze worden daarbij gesteund door hun deken Thomas Zemale en ander gepeupel. Dat ‘aan de kant’ mag best letterlijk genomen worden. Ze gooien de heren uit de ramen van het raadhuis. Ridder Joris van Belle, een vertrouweling van de graaf komt daarbij eveneens om het leven in het beluik van de lakenhalle. Ieper ontpopt zich tot een stad in revolutie. De wevers en de volders nemen onder druk van hun tegenstanders de vlucht naar Vlamertinge, beladen met een rijke buit die ze zich in de verwarring hebben toegeëigend.

Ze doden hier de lokale koster en zijn dorpsgenoten die meenden alarm te moeten slaan met de kerkklokken. Zich komen verschansen in deze niet door muren beschermde omgeving is nu niet bepaald de meest verstandige zet van onze textielmannen. Graaf Lodewijk laat de Ieperse lynchpraktijken niet ongestraft en stuurt zijn bastaardbroer, ridder van Vlaanderen Rufelard met een gewapende bende naar Vlamertinge. Ondanks een hardnekkige weerstand eindigt de grafelijke vergelding op een heus bloedbad. Veel wevers sneuvelen, 1.500 onder hen worden ontwapend, opgepakt en berecht. De straffen zijn niet gering. Honderden onder hen verliezen het leven op het schavot of in de kerkers.

De kroniekschrijvers hebben hier nog nooit zoveel slachtoffers ter dood zien brengen. Zemale en zijn broer worden aan de staart van een paard gebonden en naar de galg gesleept waar ze eerst onthoofd worden. Daarna hangen ze hun lichamen op aan de galg en spietsen ze hun hoofden op hoge staken. De rest van de wevers en de volders wordt verbannen en kan niet veel anders dan Vlaanderen achter te laten. Achteraf wast Lodewijk van Male zijn handen in onschuld. Hij schenkt vergiffenis aan de inwoners en doet wat hij kan om de vrijheden van de Vlaamse steden en van het Brugse Vrije keer op keer te herbevestigen. Het lijkt er wel op dat hij in de voorlinie staat om de stedelijke privileges te verdedigen.

 

· · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · ·

Auteur van 'De Kronieken van de Westhoek'

Related Articles & Comments

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *