web analytics

Anno 1119. Op een draagstoel naar Wijnendale

55
banner

In het jaar 1119 verklaart Lodewijk de Dikke de oorlog aan koning Hendrik I van Engeland omdat die niet langer aan eerstgenoemde manschap wil afleggen voor wat betreft het hertogdom van Normandië. Lodewijk wil de Engelsen hier nu buiten en verzoekt daarvoor om de assistentie van Boudewijn Hapkin. De graaf van Vlaanderen accepteert die vraag maar al te graag want hij heeft nog een rekening te vereffenen tegen die Engelsen, vergeet niet dat zijn vader sneuvelde in zijn laatste oorlog tegen hen. Op die 300 ponden openstaande schuld wacht hij trouwens ook nog altijd! Boudewijn vertrekt met zijn Vlaamse krijgsmacht naar Normandië.

Hun campagne start succesvol met de verovering van veel steden en kastelen. De Vlamingen nemen al meteen een flink stuk Normandië in. Daarna is het de beurt om Rouen te veroveren. Hier, in de hoofdstad van Normandië houdt koning Hendrik zich verscholen. Op Boudewijns eis om de stad te ontruimen krijgt hij het antwoord dat de Engelsman niet wil onderhandelen met zo’n lome en dwaze mens als de graaf van Vlaanderen. Een respons die de nodige colère en agitatie brengt in de stormloop. Boudewijn mag dan wel een aura van onoverwinnelijkheid en moed hebben, maar toch geraakt hij niet binnen in Rouen. De graaf teistert ook de hele buitenomgeving van de hoofdstad en raakt zo verstrikt in een hinderlaag bij een bos in de buurt van Anger waar de Engelsen zich verscholen houden.

Tijdens die gevechten loopt Boudewijn een zware hoofdwonde op. De Vlamingen beslissen daarop om zich terug te trekken en de nodige zorgen te bieden aan hun gekwetste graaf. De wonde moet inderdaad gezuiverd en dichtgemaakt worden. Helaas! De wonde verzweert en vertikt het om te genezen, de graaf voelt de pijn heviger worden en beseft dat zijn dood dichterbij komt. Hij beveelt zijn mannen om hem op een draagstoel naar zijn kasteel in Wijnendale te dragen. Bij zijn doortocht in Roeselare zit hij er helemaal doorheen, de pijn is niet meer te harden en daarbij wordt hij ook nog door een ‘geraaktheid’ getroffen, een beroerte.

Zijn gezondheidstoestand is uitzichtloos. Hapkin laat de finefleur van Vlaanderen optrommelen om dringend naar Roeselare te komen. De voornaamste geestelijken, edellieden en ambtenaren krijgen nog eens te horen dat ze Vlaanderen zuiver moeten houden van misdadigers. En vermits hij geen zoon achterlaat moet er absoluut een nieuwe graaf komen, anders zal het land in een complete chaos belanden. Hij eist dat zijn neef Karel, de kleinzoon van Robrecht de Fries die taak op zich zal nemen. Karels moeder is zijn tante Adela van Vlaanderen welke getrouwd is met wijlen Knoet IV van Denemarken zoals ik al eerder aangaf en die al in 1086 teruggekeerd was naar Vlaanderen. Het gezelschap gaat akkoord. Na de meeting laat de lijdende Boudewijn zich nog aankleden met een zwarte monnikenpij. Een nieuwe beroerte maakt op 17 juli 1120 een definitief einde aan zijn ellendige toestand. Op zijn laatste verzoek begraven de Vlamingen hun graaf, gekleed in zijn paterskleed in het Sint-Bertijnsklooster van Sint-Omer. Die stomme 300 ponden hebben nu al twee gravenlevens geëist. Geen twee zonder drie?

Tante Clementia gaat daar niet mee akkoord
In het jaar 1120 begint de ambtsperiode van zijn opvolger Karel en dat is niet naar de zin van tante Clementia (de weduwe van graaf Robrecht van Jeruzalem) die heel wat in de pap te brokken heeft in Vlaanderen. Ze heeft een boontje voor Willem van Lo, de onwettige zoon van haar broer Filips van Lo en net als Karel een kleinzoon van Robrecht de Fries en dus kan hij net zo goed een legitieme opvolger zijn. De wetenschap dat Clementia hertrouwt met Godfried de graaf van Leuven en achteraf nog een verbond maakt met de gezagsdragers van Henegouwen, Saint-Pol, Boulogne, Terwaan en andere vijanden van Vlaanderen bezorgt de weduwe een militaire capaciteit om ‘u’ tegen te zeggen.

De graaf van Leuven trekt met zijn leger naar Oudenaarde en neemt deze stad aan de Schelde in. Clementia’s nieuwe echtgenoot vergenoegt zich daarbij niet alleen met het bloed en de dood van de inwoners maar legt daarbij nog een keer heel de stad in de as. Hugo, de graaf van Saint-Pol doet niet onder in West en Waals Vlaanderen waar hij alles met het vuur en het zwaard vernietigt.

De nieuwbakken graaf Karel staat bekend als een godsvruchtige man maar bang om te vechten is hij toch ook niet. Omringd door al die ongenadige vijanden mobiliseert hij zijn mannelijke onderdanen om naar Sint-Omer te komen. Hij komt er naar buiten met een ontzaglijk leger. Zoveel krijgsvolk werd nooit voordien onder de Vlaamse standaard gezien. De eerste die dat ondervindt is die onnozelaar van Saint-Pol die zijn stad kwijtspeelt, precies hetzelfde wat zijn kompanen in Hesdin en Boulogne overkomen. De kastelein van Terwaan ziet zijn nieuw kasteel tot aan de grond geslecht. De bondgenoten van Clementia laten haar nu vallen als een baksteen en houden de oorlog tegen Karel voor bekeken. De gewezen gravin bekoopt haar arrogantie met het verlies van de steden die ze in haar persoonlijk bezit had. Het gaat hier om Diksmuide, Sint-Winoksbergen, Ariën-aan-de-Leie en St.-Venant.

Toch blijft ze nog de baas over acht gelijkaardige steden of heerlijkheden die haar een voldoende inkomen moeten garanderen. De graaf van Henegouwen is de enige die niet inbindt tegen Karel. Hij heult verder samen met Thomas de Coucy, de gewezen raadsheer van Richilde. Ze blijven hardnekkig in hun vijandschap tegen de bloedlijn van Robrecht de Fries. Hier en daar vallen ze nog eens binnen in Vlaanderen maar Karel slaagt er telkens in om hen terug te dringen.

· · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · ·

Auteur van 'De Kronieken van de Westhoek'

Related Articles & Comments

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *