web analytics

Anno 1477. Trammelant in Brugge

82
banner

16 maart 1477. Trammelant in Brugge. De ambachten lopen te wapen en nemen 16 van de aanzienlijkste poorters gevangen. Allemaal mensen die de voorbije jaren functies hebben uitgeoefend als wethouder of tresorier in het Brugse stadsbestuur.

Ze eisen een volledige verantwoording van hun vorig bestuur. Jan De Baenst, Jan van Overtveldt, Jan Barbesaen, Maerten Lem, Anselmus Adornes, Pieter Metteneye, Jacob De Vooght, Lodewijk Greffinck, Jacob De Witte, Cornelius Breydel, griffier Jacob D’Hont en zijn zoon Jan, Jan Ghyns, Hieronymus Van Vyve, Jan Van Riebeke en Jan Van Nieuwenhove. Op voorspraak van hun vrienden komen ze allemaal terug op vrije voeten. Maar de dekens en het gemeen blijven met een wrang gevoel achter.

Waar zitten dan al die heren die als gatlikkers van hertog Karel de bewoners van Brugge hebben uitgeperst om zijn oorlogen te financieren? Ze plaatsen een beloning van 80 pond op het gevangennemen van de gevluchte burgemeester Jan Van Nieuwenhove. De Bruggelingen benoemen daarbij ook nog de heer van Pamele tot bevelhebber van de kastelen in Sluis. Hij zal de plaats innemen van de overleden Simon De Lalaing.

Negatieve reacties bij de ambachtslieden
27 maart 1477. Geruchten dat er pogingen aan de gang zijn om Hugonet & Co los te laten zorgen voor negatieve reacties bij de ambachtslieden. Ze lopen met de wapens in de hand naar de Vrijdagmarkt om de berechting van de drie topmannen te eisen. Zolang dat niet gebeurt, blijven ze hier netjes staan. Een krachtdadig statement van het Gentse volk dat de rechters een ‘sense of urgency’ aanmeet. Ze kunnen dit probleem niet eeuwig voor zich uit blijven schuiven. Hugonet komt eerst aan de beurt. Op de pijnbank beschuldigen ze hem van valsheid in geschrifte met de bedoeling om grof geld te verdienen met al die blanco getekende en gezegelde papieren.

Dat de beschuldigde papieren van hertog Karel achtergehouden heeft waardoor hij deels mee de oorzaak van zijn dood was. En dat hij Maria van Bourgondië aan de Franse koning heeft verkocht en haar binnenkort op verraderlijke manier aan hem wilde uitleveren. Vreselijke beschuldigingen die door Hugonet ook bekend worden, uiteraard pas nadat er vreselijke pijnigingen aan te pas kwamen. Ook Humbercourt en Jan van Melle bekennen wonderlijke zaken tijdens hun marteling.

Het vonnis kan maar zo duidelijk zijn: de doodstraf voor elk van hen. Wanneer Maria van Bourgondië het nieuws van de uitspraak verneemt stapt ze naar de rechtszaal en zoekt ze hulp bij haar raadsheren om die straf ongedaan te laten maken. De rechters blijven echter onverbiddelijk, het vonnis moet daarbij nog binnen de drie uur uitgevoerd zijn.

Maria verschijnt bij het schavot op de Vrijdagmarkt. Met losse haren, getooid in rouwkleding en met groot verdriet werpt ze haar vrouwelijke charmes in de weegschaal. Dat ze haar vrienden moeten sparen en patati en patata, tranen die hier en daar wel zorgen voor sporen van genade bij enkele inwoners. Maar de meeste Gentenaars blijven fanatiek en schreeuwen naar de beul dat hij aan zijn taak mag beginnen.

De hertogin beseft dat haar aandringen geen zin heeft en vertrekt treurend naar haar hof. Kanselier Hugonet betreedt als eerste het met zwart laken bekleed schavot. Hij knielt, vouwt zijn handen samen en spreekt geen woord. De Bourgondiër kent trouwens geen woord Vlaams.

Zijn biechtvader, een karmeliet die hem bijstaat laat weten dat hij vergiffenis vraagt. Na de onthoofding komen enkele karmelieten hoofd en romp afhalen om te begraven in hun kerk. Dan is Jan van Melle aan de beurt, zijn lichaam vindt een rustplaats in de kerk van de augustijnen. Voor de terechtstelling van de heer van Humbercourt vervangen de Gentenaars de zwarte aankleding van het schavot door een rood laken.

Ze gaan hier zo meteen een ridder van het Gulden Vlies een kopje kleiner maken. De man moet naar boven gedragen worden, hij werd zo sterk gemarteld dat hij niet eens meer kan stappen. Zittend op een stoel hakt de beul hem het hoofd af. Humbercourt zal volgens zijn laatste wens naar zijn heerlijkheid in Atrecht gevoerd worden, hier zal hij zijn laatste rustplaats vinden. Deze drie heren sterven hun trieste dood op Witte Donderdag, 3 april van het jaar 1477. De wraakzuchtige Gentenaars zijn pas nu tevreden. Ze verlaten de markt waar ze acht dagen gestaan hebben en leggen de wapens neer. Alleen Guillielmus van Clugny redt zijn vel. Gewoon omdat hij priester is mag hij zijn straf uitzitten in de gevangenis. Later zal hij er kunnen ontsnappen en wegvluchten naar Frankrijk.

Een kostbare rozenhoed
Terwijl een verwarde hertogin nog één en al droefheid is, krijgt ze al het bezoek van enkele Brugse gezanten die haar ernstig komen verzoeken of ze zich zou willen verwaardigen om eens naar hun stad te willen komen. Haar tegenwoordigheid is meer dan nodig. Ze antwoordt dat ze dat wel wil, zolang de poorters zich maar rustig houden en dat ze daar best bang voor is. De gezanten stellen haar helemaal gerust, alsof ze daar ook maar enige controle over zullen hebben. Maria laat zich hoe dan ook pramen om op 5 april 1477 naar Brugge te komen. Op 5 april vergezellen de Gentenaars hun hertogin tot aan Ursel waar de Bruggelingen haar tegemoet zijn gekomen.

Maria wordt vergezeld door een sterke lijfwacht. Bij haar aankomst in Brugge-stad krijgt ze een kostbare rozenhoed van de begijnen. Het magistraat en de adel onthaalt haar met de grootste eer, zo te zien is iedereen meer dan blij om de jonge hertogin te zien. Ze spreken onder elkaar af dat ze volgende woensdag zullen overgaan tot het afleggen van de wederzijdse eden. Die dag vertrekt Maria in een met zwart fluweel overdekte rosbaar naar de kerk van Sint-Donaas om er een plechtige misdienst voor de heilige Geest bij te wonen. Tijdens de dienst loopt er een nieuwtje als een brandend vuur door de binnenstad. Het magistraat van het Brugse Vrije zou het gearrangeerd hebben om dan toch als volwaardig Lid aan te blijven.

Iets wat natuurlijk in strijd is met de bekomen voorrechten van Brugge zelf. Het gemeen toont zich al direct oproerig en verplicht Maria om haar misviering te onderbreken en terug te keren naar het Prinsenhof. Die namiddag gaan de dekens van de ambachten met elkaar in vergadering. Bij valavond duiken ze massaal en met hun banieren op aan de grote markt. Iedereen weet dan al dat er een publieke rechtzetting moet gebeuren. De schuld van die deal ligt bij de eigen magistraten.

De ambachtslieden gaan hen nu één na één uit hun woningen plukken. Jan Coolbrandt (kanunnik en pensionaris van de stad) en de schepenen Gheleyn van Themseke, Jacob Coolbrandt, Jan De Vleeschouwer en Jan D’hont. Ze vliegen in de cel omdat ze tijdens een algemene vergadering te Gent akkoord gegaan waren met het nieuwe voorrecht voor het Vrije en dat ze achteraf niet eens de moeite gedaan hebben om dat hier bekend te maken. Enkele onruststokers breken binnen in het huis van de gevluchte burgemeester Jan Van Nieuwenhove waar ze de hele inboedel plunderen.

Ze kunnen dat toch niet blauw blauw laten
De hertogin moet nu wel ingrijpen. Op de markt verschijnen zes edellieden om de ruziemakers wat te kalmeren. Ze kunnen zoveel vrijheden bekomen als ze willen zolang ze maar hun geweld achterwege laten. Dat horen ze hier natuurlijk wel graag, maar toch niet graag genoeg om alles nu helemaal blauw blauw te laten. Eerst nog enkele zaken afrekenen met andere schuldigen! Een bende gewapende mannen trekt er onder leiding van baljuw Jacob van Haelwyn op uit om Daniël van Moerkerke, de zelfverklaarde kapitein van het West-Vrije te gaan arresteren om dan naar Brugge te brengen.

Van Moerkerke zullen ze niet vatten want die vlucht weg van Gistel om zich in Gent te gaan verstoppen. ‘s Anderendaags stellen de Bruggelingen de Oudenburgse baljuw Felix van Gistel in hechtenis omdat hij het verzuimde om Daniël van Moerkerke aan te houden.

· · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · · ·

Auteur van 'De Kronieken van de Westhoek'

Related Articles & Comments

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *